Een tijd geleden las ik op twitter een opmerking van Josse de Voogd over diversiteit: Groep die het minst evenredig is vertegenwoordigd? Denk bijvoorbeeld aan de cultureel rechtse & sociaal-economisch linkse huisvrouw uit Brabant. (De tweet stond niet helemaal op zichzelf, dus hier het draadje). De Voogd bedoelde het ironisch. Het was gericht tegen een te vergaand diversiteitsdenken en het voorbeeld was dus ook een beetje gechargeerd. Maar ik vond het eigenlijk niet een zo’n gek idee.

Mij deed het denken aan een moment een paar jaar geleden toen ik voormalig PVV-Kamerlid Louis Bontes zag spreken (toen geloof ik inmiddels WNL). Bontes oogde en klonk – ik hoop niet dat ik iemand met deze term tegen de haren in strijk, want dat is niet de bedoeling – wat volkser dan de vele kopieën van Boris van der Ham (m/v) in de Kamer, met een net iets te strak gesneden maatpak en ingewikkelde schoenen. Even los van Bontes’ partijkeuze zou ik daar graag meer van zien, want ik denk dat dat goed is voor de mate van identificatie met de politiek en de mate waarin de bevolking zich gerepresenteerd voelt.

Ik ben nauwelijks origineel als ik opmerk dat een groot deel van de politiek elite uit een vrij beperkte sociale klasse komt (o.a. Armen Hakverdian), waarbij de arbeidersklasse en de lagere middenklasse er bekaaid van af komen. En dat veel burgers zich niet in ‘de politiek’ herkennen is ook inmiddels wel duidelijk. We hebben geen problemen mee om diversiteitsbeleid te voeren ten aanzien van vrouwen en allerlei minderheden omdat ze onvoldoende vertegenwoordigd. Is een plus een niet gewoon twee, en moeten we niet ook klasse meenemen in onze diversiteitsinspanning?

Beeld: Amsterdam Museum