Hogere opleidingen klagen al jaren over de kennis van beginnende studenten. Docenten zijn overbelast en het curriculum is eigenlijk te vol om dat op te lossen. Moet de onderwijsperiode niet gewoon een paar jaar langer zijn?

Al sinds ik zelf studeerde word druk gezet op studenten om snel af te studeren. Er waren verschillende redenen om die druk op te voeren: de legitieme wens om te lang doorstuderen en vermijdbare studie-uitval te voorkomen, maar ook electorale motieven, eenvoudige bezuinigingsdrift en ideologische onvrede met de inrichting van het systeem. Dit heeft een aantal positieve en negatieve gevolgen gehad. De ‘eeuwige student’ bestaat eigenlijk niet meer en de uitval is afgenomen. Maar ik heb ook gezien dat studenten die een verkeerde keuze hebben gemaakt hun opleiding om financiële redenen voortzetten in plaats van te switchen naar een studie die ze beter ligt. Het huidige leenstelsel maakt dat laatste alleen maar waarschijnlijker. Je kunt je afvragen of alle beperkingen dan niet hun doel voorbij schieten.

Het hoger onderwijs is bovendien sterk verschoolst, waarbij de nadruk ligt op het afstrepen van tentamens en opdrachten volgens een vast stramien. Dat is voor een basis van feitenkennis voldoende, maar het is niet hetzelfde als ‘leren denken’, wat het hoger onderwijs zou moeten beogen. Daarvoor is een zekere mentale rust en ruimte nodig die het drukke, gestuurde programma niet biedt en waar de ‘efficiënte’ manier van toetsen niet op is ingesteld.

Kwaliteit

Dit alles heeft gevolgen voor de kwaliteit van de afgestudeerden. Het systeem beloont volgzame studenten die goed zijn in stampen en de regeltjes volgen, terwijl talentvollere en creatievere studenten geen ruimte krijgen om hun potentieel ten volle te benutten. Het is niet alleen ongeveer een schoolvoorbeeld van hoe je de zo verguisde zesjescultuur in de hand werkt, je leidt er ook niet de creatievelingen mee op die op de huidige arbeidsmarkt meer nodig zijn dan ooit. Daarnaast zijn studenten erg jong als ze afstuderen, waarbij je je kunt afvragen of ze wel gereed zijn voor de arbeidsmarkt.

Het inflexibele en overvolle regime leidt voorts tot tot risicomijdend gedrag. Moeilijke of arbeidsintensieve vakken worden vermeden om tijdverlies te voorkomen, want een hobbel in de studievoortgang kan de hele planning in de war sturen en dat kost algauw veel geld. Alleen studenten met welgestelde ouders kunnen zich ‘extra’s’ permitteren. Ik zie bovendien zowel bij afgestudeerden als bij volwassen burgers een schreeuwend tekort aan algemene kennis. De studenten van nu zijn beslist niet dommer dan vroeger, maar kennis en begrip van bijvoorbeeld politieke instituties is vaak beperkt, en datzelfde geldt voor kennis van het verleden.

Dat heeft waarschijnlijk een aantal oorzaken. Kennis is gespreider – iemand zei eens dat jongere mensen niet zozeer minder weten dan voorheen, maar dat ze allemaal iets anders weten: er is geen gemeenschappelijk kenniscorpus. Ook is de status van kennisverwerving zowel bij de jongeren als bij veel ouders minder dan voorheen, waarbij vooral kunst, literatuur, geschiedenis of taal algauw elitair, suf of gewoon overbodig worden gevonden.

Bildung

Tot de jaren zeventig waren gymnasium en universiteit voorbehouden aan een elite en een beperkte hogere middenklasse, waar jongeren een zekere ontwikkeling van huis uit mee kregen en algemene kennis hoog werd aangeslagen. Sindsdien is het onderwijsniveau over de hele linie gestegen, maar is vooral vanaf de jaren tachtig sterk de nadruk ook sterk komen te liggen op de vervolgbaan en goede verdiensten. Daarmee kweekt men misschien goede fiscalisten, boekhouders en bedrijfsmanagers met een stevige ‘verdiencapaciteit’, maar niet noodzakelijkerwijs goede burgers. Daar zijn andere dingen voor nodig: kennis van de geschiedenis, van humanistische en rechtstatelijke concepten, maar ook de vaardigheid het maatschappelijke discours te doorzien en zich daarbinnen uit te drukken.

Het onderwijs heeft zich echter gaandeweg steeds meer op ‘nut’ gericht en minder op ‘Bildung’: het belang van humaniora, kunsten en bredere maatschappijkennis wordt slechts in beperkte mate ingezien. Via de schoolklas kan een goed stel hersens uit een laagopgeleid milieu nog steeds hoog opklimmen op de onderwijsladder, maar die achterstand in algemene ontwikkeling haal je in het huidige systeem niet gemakkelijk meer in. Ook in het vervolgonderwijs laat die nadruk op direct nut zich merken: omdat er zo weinig tijd is, moet ieder vak direct bijdragen aan een nauw gedefinieerde beroepspraktijk met weinig ruimte voor uitstapjes. Ook achterstand, zoals de taalachterstand van een verder slimme student, kunnen maar ternauwernood worden ingelopen.

Langer leren

We verwachten veel van ons onderwijs. Ondertussen zien we dat het huidige systeem niet aan alle eisen kan voldoen. Veel problemen zijn op te lossen met meer personeel, kleinere klassen en meer individuele aandacht. Maar er is ook een groot gebrek aan tijd: alles moet snel en efficiënt. Is de beste oplossing dan niet gewoon een paar jaar langer onderwijs?

Er zijn verschillende manieren te bedenken om dat in te vullen. Een eenvoudige manier is om het middelbare schoolcurriculum uit te smeren over een wat langere periode met wat meer ruimte voor uitdieping en experiment. Die periode kan ingevuld worden met remedial teaching, voorbereidingen op de vervolgopleiding, specialisatie, extra vakken buiten het curriculum of het doen van onderzoek. Een andere optie is een soort tussenschool’ tussen basisschool en middelbare school of na het examen, of verlenging de beroepsopleidingen en de universitaire opleiding.

Hoe dan ook moeten we af van het sinds de jaren tachtig heersende idee dat kinderen en jongeren zo snel mogelijk en tegen zo laag mogelijke kosten door een inflexibel systeem moeten worden gepompt. Juist in deze tijd hebben we jongeren nodig die hebben leren ‘denken’: die creatief en onderlegd genoeg zijn om hun plek te vinden in een sterk veranderende samenleving. Met een verlenging van de totale leertijd met een of twee jaar kunnen we zorgen dat alle talenten van al onze jongeren tot hun recht komen. Dat lijkt me de investering meer dan waard.