Hogere opleidingen klagen al jaren over de kennis van beginnende studenten. Docenten zijn overbelast en het curriculum is eigenlijk te vol om dat op te lossen. Moet de schoolperiode niet gewoon een paar jaar langer zijn?.

Al sinds ik zelf studeerde word druk gezet op het studietempo van studenten. Er waren verschillende redenen om die druk op te voeren: van lompe vooroordelen over studenten die alleen maar zuipen (die niet zelden politiek werden uitgebuit om het systeem verder uit te hollen), minstens even schaamteloze bezuinigingen, ideologische onvrede met de inrichting van het systeem, maar ook de legitieme wens om te lang doorstuderen en vermijdbaar switchen van studie te voorkomen.

Dit alles heeft een aantal positieve en negatieve gevolgen gehad. De eeuwige student bestaat niet meer en wisselen en uitval komen minder vaak voor. Maar ik heb ook gezien dat studenten die een verkeerde keuze hebben gemaakt hun opleiding om financiële redenen voortzetten in plaats van te switchen naar een studie die ze beter ligt. Je kunt je afvragen of alle beperkingen dan niet hun doel voorbij schieten.

Het hoger onderwijs is bovendien sterk verschoolst, waarbij de nadruk ligt op het afstrepen van tentamens en opdrachten volgens een vast stramien. Dat is voor een basis aan feitenkennis voldoende, maar het is niet hetzelfde als ‘leren denken’, wat zeker hoger onderwijs zou moeten bewerkstelligen (maar andere opleidingen eigenlijk ook!). Daarvoor is een zekere mentale rust en ruimte nodig die er in het drukke, gestuurde programma niet is en waar de ‘efficiënte’ manier van toetsen niet op is ingesteld.

Kwaliteit

Dit alles heeft gevolgen voor de kwaliteit van de afgestudeerden. Het systeem beloont volgzame studenten die goed zijn in stampen en de regeltjes volgen, terwijl talentvollere en creatievere studenten geen ruimte krijgen hun potentieel ten volle te benutten. Het is niet alleen ongeveer een schoolvoorbeeld van hoe je de zo verguisde zesjescultuur in de hand werkt, je leidt er ook niet de creatievelingen mee op die op de huidige arbeidsmarkt meer nodig zijn dan ooit. Daarnaast zijn studenten erg jong als ze afstuderen, waarbij je je kunt afvragen of ze wel gereed zijn voor de arbeidsmarkt.

Het inflexibele en overvolle regime leidt voorts tot tot risicomijdend gedrag. Moeilijke of arbeidsintensieve vakken worden vermeden om tijdverlies te voorkomen, want een hobbel in de studievoortgang kan de hele planning in de war sturen en dat kost algauw veel geld. Alleen studenten met welgestelde ouders kunnen zich ‘extra’s’ permitteren.
Ik zie bovendien, zowel bij afgestudeerden als bij volwassen burgers, een schreeuwend tekort aan algemene kennis. De studenten van nu zijn beslist niet dommer dan vroeger, maar kennis over en begrip van bijvoorbeeld politieke instituties is vaak beperkt, en datzelfde geldt voor culturele kennis en kennis van het verleden.

Dat heeft waarschijnlijk een aantal oorzaken. Kennis is gespreider – iemand zei eens dat jongere mensen niet zozeer minder weten dan voorheen, maar dat ze allemaal iets anders weten: er is geen gemeenschappelijk kenniscorpus. Ook is de status van kennisverwerving, zowel bij de jongeren als bij veel ouders, minder dan voorheen, waarbij vooral kunst, literatuur, geschiedenis of taal algauw elitair, suf of gewoon overbodig worden gevonden.

Bildung

Tot de jaren zeventig waren gymnasium en universiteit voorbehouden aan een elite en een kleinere hogere middenklasse, waar jongeren een zekere ontwikkeling van huis uit mee kregen en algemene kennis hoog werd aangeslagen. Sindsdien is het onderwijsniveau over de hele linie gestegen, maar is vooral vanaf de jaren tachtig sterk de nadruk ook sterk komen te liggen op de vervolgbaan en goede verdiensten, waardoor . Daarmee kweekt men misschien goede fiscalisten, boekhouders en bedrijfsmanagers met een stevige ‘verdiencapaciteit’, maar niet noodzakelijkerwijs goede burgers. Daar zijn andere dingen voor nodig: kennis van het verleden, van humanistische en rechtstatelijke concepten, alsmede de vaardigheid het maatschappelijke discours te doorzien en zich daarin uit te drukken. Het onderwijs is echter gaandeweg steeds minder maar het onderwijs heeft zich ook meer op ‘nut’ gebaseerd en minder op ‘Bildung’: het belang van humaniora, kunsten en bredere maatschappijkennis wordt slechts in beperkte mate ingezien. Via de schoolklas kan een goed stel hersens uit een laagopgeleid milieu nog steeds hoog opklimmen

op de onderwijsladder, maar die achterstand in algemene ontwikkeling haal je in het huidige systeem niet gemakkelijk meer in. Ook in het vervolgonderwijs laat die nadruk op direct nut zich merken: omdat er zo weinig tijd is, moet ieder vak direct bijdragen aan een nauw gedefinieerde beroepspraktijk met weinig ruimte voor uitstapjes..
In het onderwijs is de laatste dertig jaar

Langer leren

Voor deze problemen zou een wat langere onderwijstijd een oplossing kunnen zijn. Een manier om dat te doen is bijvoorbeeld door een ‘tussenschool’ van twee jaar tussen middelbare school en vervolgopleiding. Die periode kan ingevuld worden met een stage, bijscholing op specifieke hiaten, het kiezen van en voorbereiden op een vervolgopleiding, het trainen van Nederlands en vreemde talen in woord en geschrift, wat dieper literatuur- of kunstonderwijs – of juist een basis in de natuurwetenschappen of wiskunde – het uitdiepen van expressieve vakken, het leren van onderzoeksvaardigheden of het doen van onderzoek.

Ik wil benadrukkend dat de ‘tussenschool’ hier is bedoeld als voorbeeld. Er zijn natuurlijk verschillende mogelijkheden denkbaar: een systeem van nascholing na het afstuderen, een blok of trimester met ruimte voor geen jaren maar ‘blokken’ met dezelfde functie, een vastgesteld op te nemen aantal uren, maar misschien is het wel het beste om door het aannemen van extra personeel en en goede samenwerkingsverbanden tussen instellingen deze leeruimte voor de leerling binnen het huidige stelsel te realiseren. In ieder geval moet de wens kinderen en jongeren snel en tegen zo laag mogelijke kosten door een inflexibel systeem heen te pompen worden gekeerd. Een nieuw systeem zou bovendien leerlingen van alle niveaus moeten accomoderen, zodat jongeren van verschillende onderwijsniveaus, die helaas nog maar al te vaak ook een klasseonderscheid betekenen, elkaar blijven tegenkomen.