Studenten moeten meer lezen. Op 8 november stond in NRC een column ‘Studenten die Tolstoj lezen’ van Harald Merkelbach, waarin hij constateerde dat veel studenten over een te beperkt vocabulaire beschikken: uitdrukkingen als ‘in het geding’ kennen ze niet, waardoor ze tentamenvragen niet goed begrijpen en lagere cijfers halen of zakken. Hij roept op vaker een boek te pakken, want in het wetenschappelijke veld kun je met een beperkte woordenschat niet toe.

Tot zover kan ik me aansluiten bij de schrijver van het stuk. Ook ik heb in mijn onderwijspraktijk mijn hbo-studenten opgeroepen regelmatig een boek of een goede krant te lezen om de bekendheid met de taal, en dan vooral met hogere registers, te vergroten. En ja, dat is een manier om het probleem op te lossen. Maar ik miste ook iets in zijn betoog. Hij maakte er een erg individuele inspanning van: het is de student die te weinig leest en dat boek moet pakken, en ook de tweede oplossing – de werkgever die bij een sollicitatie een lijst boeken vraagt om de sollicitant op te beoordelen – is individueel. Wat afwezig was in het stuk was de context. Het lijkt of het probleem vooral ligt bij de student zelf, die al die kostelijke paarlen aan zich voorbij laat gaan. Maar hoe komt het dat onze jongeren zo weinig lezen? Ligt dat niet ook aan de samenleving waarin we ze laten opgroeien?

We weten dat de wereld verandert. Het boek en de krant moeten concurreren met allerlei (andere) vormen van amusement. Studenten komen niet meer uit een betrekkelijk elite van cultureel onderlegde burgers, maar uit de volle breedte van de bevolking waarin niet iedereen opgroeit met een gevulde boekenkast.

Tot zover is dit algemeen bekend, en ik denk dat we eerder moeten leren omgaan met deze verschijnselen dan dat we moeten proberen ze tegen te gaan. Als de achtergrond van de student bepaalde kennis niet biedt, moeten we dat compenseren in het onderwijs. Dat betekent dat aan lezen en literatuur op school meer aandacht moet worden besteed. Daarnaast mogen we aannemen dat de concurrentie van andere amusementsvormen blijft bestaan: er is gewoon meer te doen en computergames en Netflix gaan niet meer weg. Wat we wel kunnen doen is lezen aantrekkelijker maken, zodat het de concurrentie met die andere bezigheden beter aan kan.

Om dat laatste te bewerkstelligen moet er op een dierbaar punt iets veranderen. Het ‘literaire wereldje’ neigt helaas nog steeds naar een soort elitarisme waarin wordt neergekeken op allerlei ‘lectuur’, die minderwaardig wordt gevonden. Maar als we willen dat mensen lezen, moeten we ze daarin stimuleren, ook als ze andere boeken pakken dan de zelfbenoemde literati niet blieven. Strips, thrillers, chicklit – ook dat is lezen; ook dat helpt jongeren A) om hun taal te verbeteren en kan B) de poort openen naar veeleisendere genres. Met Merkelbachs oproep aan studenten om Tolstoj te lezen is op zich niets mis, maar de inbedding waarin die oproep kan gedijen moet wel in een vroeg stadium zijn gelegd.

De frustratie over dat elitisme leidt ook tot een breder anticultureel sentiment. Politici hebben met gulzigheid op die rancune kunnen kapitaliseren: de vernietigende bezuinigingen op cultuur van 2013 waren natuurlijk de volle verantwoordelijkheid van VVD’er Halbe Zijlstra en zijn trawanten van CDA en PVV, maar de anticulturele, anti-elitaire teneur is al veel ouder: verzet tegen cultuurbobo’s en kunstpausen die minder ‘hoogstaande’ cultuuruitingen wegzetten als plebeïsch vermaak is er al veel langer. Ja, iedere minachting voor Zijlstra en zijn hooivorkenmentaliteit is terecht en ja, de cultuursector was al goed op weg minder subsidie-afhankelijk te worden en zich opener op te stellen, maar desondanks was rancune die dit alles mogelijk maakte waarschijnlijk minder breed gedragen als kunstelite de neus wat minder hoog in de lucht had gestoken. Niet alleen vangt men vliegen met honing en niet met azijn, de azijnsmaak is hardnekkig en kan nog lang in de mond en de herinnering blijven hangen. Daar heeft de cultuursector de wrange vruchten van mogen plukken.

In die sfeer van ressentiment kon een situatie ontstaan waarin velen zo weinig met kunst en literatuur ‘hebben’, dat het idee dat kunstenaars in het algemeen en schrijvers in het bijzonder ‘hobbyisten’ zijn die niet betaald hoeven te worden voor hun werk zozeer post kon vatten; dat zonder blikken of blozen bibliotheken kunnen worden wegbezuinigd; dat lezen niet alleen door kinderen en jongeren ‘stom’ en ‘niet cool’ wordt gevonden, maar ook door hun ouders, de dragers van het ressentiment. En in dezelfde sfeer kunnen lerarenopleidingen ontstaan waarin literatuuronderwijs niet meer dan een bijrol speelt en leraren Nederlands unverfroren verklaren een hekel te hebben aan Nederlandse literatuur – als ze überhaupt al een letter lezen.

Daarnaast heerst in Nederland al sinds de jaren tachtig het idee dat een studie alleen dient om geld mee te verdienen. Het idee dat kennis van waarde is vanwege iets hogers of omdat het op een niet-monetaire manier van belang is voor jezelf of de maatschappij, is bij velen weinig ontwikkeld. En een dergelijke rendementsdenken heeft ook gevolgen voor de inspanning: een minimale moeite moet maximaal rendement opbrengen in cijfers, beoordeling en geld. Alle wetenschappen hebben hier last van, maar de alfa- en gammawetenschappen, de kunsten, onderwijs en de zorg nog het meest. Binnen de context van dit onderwerp – lezen en literatuur – versterken de negatieve gevolgen elkaar. Het onderwijs staat bekend als een zwaar vak, met weinig perspectieven en beperkte verdiensten. De talen zijn alfawetenschappen en zaten op de middelbare school algauw in het hoekje ‘pretpakket’. Daardoor hebben de vakken weinig status. Als op taal, literatuur en het onderwijs als vak zo wordt neergekeken is het niet vreemd dat jongeren dat overnemen het onbelangrijk gaan vinden.

In zo’n situatie valt nauwelijks te verwachten dat een jong mens dat nauwelijks met lezen is opgevoed, die zijn ouders, familieleden en leeftijdsgenoten niet of nauwelijks heeft zien lezen en literatuur vooral heeft horen afwijzen, die mentaliteit van de ene dag op de andere dag terzijde legt. Het is daarom des te belangrijker om de omgeving waarin het zover heeft kunnen komen te veranderen: meer literatuuronderwijs, meer bibliotheken, meer aandacht en waardering voor cultuur en geschreven cultuur in het bijzonder, zeker ook vanuit de overheid. Maar ook een minder gesloten en hooghartige houding vanuit het ‘literaire wereldje’ kan daarbij helpen.

Beeld: Studenten spelen tennis in Straatsburg, 17e eeuw.